Nieuwe tekst
Eendenverhaal
Wie van eenden houdt, zoals ik, heeft het goed in Wittevrouwen. Ook op die stille zomeravond aan de Numankade kom ik er veel tegen. De bladeren aan de bomen bewegen niet, een lage zon maakt gele plekken op de stammen. De eenden zitten als bootjes in het gras
Ik loop langs de Grift, naar de Donderstraat. Er zwemt een mannetjeseend met me op. Het schemert al. De woerd begint te snateren, eerst zachtjes tegen de oever, dan harder tegen mij. Hij vertelt een verhaal van vroeger. Af en toe neemt hij een slok, ik zie de druppels van zijn snavel vallen. Hij vertelt over oliekoeken, witte pijen en Pasen. Een andere eend zwemt mijn woerd tegemoet. Even later vliegen ze samen weg, naar familie onder de Wittevrouwenbrug.
Thuis schrijf ik het verhaal meteen op, aangevuld met feiten die ik al kende. Het speelt zich af in 1663. Er stond een klooster op de plek van de Wittevrouwenpoort, al eeuwenlang bewoond door nonnen in witte gewaden. Na de Reformatie hadden ze hun pijen noodgedwongen afgelegd. Voor het paasfeest mengde een van hen boter, melk, eieren en bloem, voegde rozijn, amandel en wat gember toe, en stak het vuur aan.
De oliekoeken sisten in de pan, maar niemand keerde ze om. De vlammen werden wild. De eenden zagen vuur bij het klooster van de ‘witte vrouwen'. Ze hielden hun snavel dicht voor de rook. Ze zwommen weg en zagen op veilige afstand hoe de kloostermuren het begaven. Dat vonden ze erg: ze hielden van die plek. Er waren gezellige nissen, en knusse beschutte hoekjes. In strenge winters kregen ze er brood.
Nog altijd vertellen eendenvaders het verhaal van het Wittevrouwenklooster aan hun kinderen. Misschien was het de oranje zon waardoor de woerd het die warme avond aan mij vertelde. En nu komt de herfst eraan, een seizoen dat ook bij eenden veel herinneringen losmaakt. Houd uw oren dus maar open!
Kleine reizen
Brussel visited
Net buiten het station bestudeer ik de plattegrond. Een Engelse toerist doet een paar meter verderop hetzelfde. Even later spreekt hij me aan, hij kan er geen wijs uit worden. Nadat ik de eendimensionale kaart heb vertaald in de hoek van de straat waar we staan, vouw ik de kaart open en begin te lopen.
De Rue du Midi is lang. Groen oplichtende reclameborden en weinig verkeer. Veel gebouwen kunnen wel een hogedrukspuit gebruiken. Op elke kruising een bordje met vingerwijzingen naar bezienswaardigheden. Ze vertellen me dat ik op weg ben naar het Palais du Midi: het Zuidpaleis. De Rue des Bogards lokt mij naar boven, het is een hellende weg naar de Eglise de la Chapelle , maar ik blijf de Zuidstraat volgen. Hoe verder ik loop, hoe leger het word. Hoge smalle huizen met gietijzeren balkons, zwervers ook. Dichter naar het station staan vier panden leeg, helemaal verpauperd, het doet pijn om te zien. Ik vrees dat ze niet meer te redden zijn.
In de verte gaat een trein over de spoorbrug. Het licht is grijs als ik, nog voor ik het Zuidpaleis heb bereikt, mijn koers wijzig, richting Grote Markt. Ik kom grote groepen padvinders tegen die hun voordeel doen met de reiskorting van de Belgische spoorwegen, zo is me in de trein door een medereizigster verteld. Ik buig af naar de Musées des Beaux Arts, mijn eigenlijke reisdoel.
Ik ga de prachtige brede marmeren trap op naar Bruegel. ‘De val van de opstandige engelen' (1562) toont de kikkervissen, paardhonden en hondpaarden met gouden kroontjes op hun hoofd; wezens die je nog nooit hebt gezien, en die je toch herkent. Ze bestaan op het moment dat je naar het doek kijkt; ze zwommen altijd al rond in de poel van je onbewuste om op dit onbewaakte ogenblik boven te komen. Monsters. Afschrikwekkend en hulpeloos tegelijk; reptielen, een gedegenereerde vlinder, een vis met opengescheurde buik. Ze tuimelen. Ze vallen allemaal tegelijk maar ze zijn stuk voor stuk alleen en niet meer te redden. Het is een val zonder kop of staart, maar met zorg tot chaos gerangschikt. Dat maakt dat je ernaar kunt blijven kijken, en dat is ook wat de meeste museumbezoekers doen. De bank tegenover de wand met het schilderij is steeds bezet, zodra er iemand opstaat, wordt de lege plaats weer ingenomen. Je kunt het misschien zo zien: de engelen omhelzen eindelijk het monster dat in hen huist, en hun val is een vorm van bevrijding. Maar Bruegel toont deze vrije val als een degradatie die onomkeerbaar en onherstelbaar is: voorgoed in de poel des verderfs gedompeld zonder kans op rehabilitatie.
Als ik me van ‘De val' heb losgemaakt, zoek ik Hieronymus Bosch op. Een vis (met passagier) zweeft door de lucht op de ‘Triptiek met de bekoring van de heilige Antonius' (1516), een nogal onheilspellend tafereel. Antonius de kluizenaar bindt de strijd aan met de verlokkingen van wellust en gulzigheid. Terwijl ik voor het schilderij mijn aantekeningen maak, komt er een bezoeker naast me staan. Hij spreekt me aan, vraagt of ik die aantekeningen maak voor ‘Wissenschaftlichten Arbeit?' Om te vervolgen met: ‘Kann man noch etwas Neues darüber sagen, etwas zufügen?' Hij heeft gelijk, over het werk van Bosch zijn kasten met boeken volgeschreven, maar dit hier zijn ‘eigene Eindrücke'. Dat begrijpt hij, ja, dat kan altijd. Maar hij klinkt teleurgesteld. Misschien had hij graag een wetenschappelijke boom met me opgezet? Als hij wegloopt, blijf ik nog een tijdje staan. Ik kijk naar de man op de vis, hij heeft een zweep in zijn hand. Antonius is zichtbaar gekweld. Het is ook niet niks: dag in dag uit staat hij aan de vreselijkste verleidingen bloot, en zolang wij kijken blijft zijn kwelling duren.
Nadat het museum haar deuren gesloten heeft, doe ik Montaigne du Park in omgekeerde richting, ik daal de trappen af. Voor de tweede keer vandaag wordt me de weg gevraagd; twee oudere vrouwen zoeken de ‘Luxemburger Strasse'. Als ik hen de goede kant op heb gestuurd, hoor ik klokgelui, heel melodieus, en is de donkere lucht een zware hangbuik vol water.
Terwijl de trein het station uit rijdt kijk ik naar de berookte huizen in de koninklijke straten. Met een aardbeienwafel neem ik afscheid van Brussel, stad met grandeur, en van het museum om nog vaak naar terug te keren.