de bladerbeer


Ga naar de inhoudsopgave

Nieuwe tekst - Poëzie

Nieuwe tekst

Dierengedichten

Ik heb een kat

Ik heb een kat, een kleine kat
en hij wil altijd spelen
in de gordijnen, in de tuin,
vlak bij de sloot, onder de mat,
achter de boom in het plantsoen –
mijn kat Pepijn vindt spelen fijn,
hij kan zich niet vervelen.

En ik mag altijd meedoen,
daar rent hij weer,
Pepijn!
Waar ga je nu naartoe?
Kom spelen in de grote stoel,
ik ben een beetje moe.


Op vleugels

Jij bent nu weg.
Je kunt niet horen wat ik zeg,
de deur is dichtgegaan.
Op vleugels vlieg je hiervandaan.

Ik vouw een vliegtuig van papier,
ik zweef achter je aan.
Ontvang je mij? Hallo, hallo!
We gaan landen op dezelfde baan.


Knorren

hij kan knorren als een big
maar veel stiller,
heel erg zacht net als zijn vacht

als ik wakker word vannacht
duwt zijn kop tegen mijn hand
zijn neus is warm en nat

het laken loopt hij op en neer,
even later slaapt hij weer
mijn knorbigknuffelkat.


Slang

Een waterslang is dun en lang,
hij sist zich vaak een bult,
hij schuift en kronkelt door het gras
maar soms hangt hij ook
wekenlang
doodstil aan de kapstok in de gang.


Dierenvakantie

Boer Batto heeft geen dieren meer,
geen koe meer in de wei,
geen varken in het varkenshok:
ze namen een week vrij.

Koe Bel zit in Zuid-Afrika,
ze bakt er bruin aan 't strand,
en Varken maakt een fietstocht door
een leeg en somber land.

Geit Gert heeft altijd al een keer
naar Nepal willen gaan,
om naast een stoere gemzenbok
hoog op de berg te staan.

Al in geen jaren zag Pol Paard
zijn zus in Canada,
daar draaft hij, zwaaiend met zijn staart:
nergens meer prikkeldraad.

De kippen zijn nog niet op stok,
ze kijken uit het raam
van 't vliegtuig dat ze brengen zal
over de oceaan.

En Poes, zou Poes iets willen doen
wat ze nooit heeft gedaan?
De tijger in het oerwoud zien,
een herdershond verslaan?

Welnee, Poes heeft altijd vakantie,
zij ligt in het hooi,
ze hoeft ook nergens heen
want weiland is zó mooi
en altijd vol met muis,
zij hoeft dus echt nergens naartoe, nee,
Poes blijft lekker thuis.


Op stap

Vanmorgen vroeg is Slak
alleen op stap gegaan
met in zijn bruine rugzak
een zachte prakbanaan.

Hij gleed op zijn gemak
in de warme zon,
hij deed een wedstrijd met zichzelf,
hij gleed zo hard hij kon.

Wat is het heet, dacht Slak,
de zon brandt op mijn kop,
en mijn banaan is op.

Toen zag hij mals groen blad,
de schaduw trok hem aan,
er was ook koele wind,
hij speelde slak-kleef-aan.
Pas toen de zon ging slapen
is hij naar huis gegaan.



Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu