De Schaal - Bladerbeer

Ga naar de inhoud

De Schaal

Vertaling
Laat mij het voor je uitpakken.
Er ligt een cadeau op je schoot, het is heel mooi ingepakt en je bent niet eens jarig. Het maakt je blij dat er iemand is die aan je denkt, het maakt je bang omdat er wel een bom in kan zitten, omdat je denkt dat je daar belangrijk genoeg voor bent.
Als je het papier eraf haalt (er zit geen kaartje bij), komt er een schaal tevoorschijn, een groene schaal met een witte binnenkant, een schaal om fruit in te doen of om in te mixen. Je weet niet wat je ervan moet denken maar je legt er braaf vier bananen in en je gaat verder met wat het ook was dat je aandacht in beslag nam: een kruiswoordpuzzel. Je vraagt je af of hier een stille aanbidder achter zit, en dat hoop je ook, maar als dat zo is, denk je, waarom een schaal? Wat kan een groen-met-witte fruitschaal je te zeggen hebben?
Je denkt terug aan je laatste minnaar en je hebt met jezelf te doen. Met je potlood zwevend boven de kruiswoordpuzzel zit je naar de muur te staren. Je schiet hardop in de lach, in jezelf, niemand hoort je, om iets grappigs dat hij een keer zei over kruiswoordraadsels, en je vindt jezelf een dwaas omdat hij je nog steeds aan het lachen kan maken, deze vroegere minnaar die met zijn gezicht naar de muur sliep en met minder genoegen nam dan jij.
Jij hebt heel veel verlangens.
Je zet water op voor thee en als je suiker in je beker doet, mors je alles over de vloer. Het plakt en het blijft aan je voeten kleven; dat voelt niet lekker, je gaat een douche nemen. Als je de stoom van het hete water ziet opstijgen in de badkamer, denk je ineens aan de ketel die je nog hebt opstaan. Zonder iets aan te trekken storm je de keuken in om te kijken of je het gas wel hebt uitgedraaid. Het huis een hoopje as en alleen de badkamer nog overeind. Je staat voor het fornuis. Het gas is uit zeg je hardop tegen het fornuis: uit. Je controleert elke pit, daarna de oven. Alles is uit. Je gaat de badkamer weer in en negeert je lichaam. Je gebruikt een zachte badspons in plaats van je handen, en als je klaar bent, ben je fris en schoon en vrij als een vogel in de lucht.
Op kantoor: je baas is overleden. Het is echt waar, je krijgt te horen dat je baas een hartaanval kreeg, gisteren in zijn badkamer, en je eerste gedachte is of dit je je baan zal kosten en je tweede gedachte is te erg voor woorden, alsof je op zijn dood hebt zitten wachten. Hij was een baas van niks. Je zit je schuldig te voelen achter je bureau en je weet niet goed wat je moet doen; je hebt geen baas, wat zijn de regels? Aan wie kun je het vragen? Je maakt een paar lijstjes met dingen om af te werken en blijft vervolgens zitten zonder ook maar één van die dingen te doen. Je denkt aan de schaal en vraagt je af of die te maken heeft met de dood van je baas, was het een soort boodschap? Je besluit dat het geen boodschap is, maar zuiver toeval.
Bij de lunch bestel je gestoomde groenten omdat je ineens aan je eigen hart moet denken. Je hart maakt je nederig, het doet zo veel voor je. Je wilt je hart bedanken. Je geeft een zacht klopje op je borst. De groenten worden gebracht, twaalf stuks op het bord, lichtgroen en vaalgeel, gesneden in kunstige ovale en ruitvormige figuren om hun smakeloosheid te verbloemen. Je doet er flink wat citroenboter bij maar je weet dat je jezelf voor de gek houdt. Je eet een paar stukjes broccoli en dan verlaat je het restaurant, je bord nog halfvol en glimmend van het vet, om bij je broer langs te gaan. Hij werkt bij de brandweer en hij ziet er prachtig uit in zijn pak. Je vertelt hem dat je baas dood is en hij is er kapot van. Hij vraagt zich af of hij hem had kunnen redden als hij erbij was geweest, hij weet tenslotte hoe je moet reanimeren. Je broer heeft jouw gezicht, maar dan een slag mooier, als man had je er beter uitgezien. Je stelt je voor hoe de vrouwen die hem hebben bemind naar zijn gezicht keken terwijl hij hun lichaam binnenging, hoe het jouw gezicht is, bijna, maar ook weer helemaal niet. Je voelt je beetgenomen.
‘Andy,' vraag je hem, ‘kun je een brandweerman voor me regelen?'
Hij lacht. ‘Natuurlijk.' Dit is de eerste keer dat je voor zoiets een beroep op hem doet, je vraagt je af of hij denkt dat je hem voor de gek houdt.
Je gaat vroeg naar huis omdat je baas dood is. Daar staat de fruitschaal, een wonderlijke herinnering aan iets wat je je niet kunt herinneren. Je legt de bananen terug op hun oude plek en vult de schaal met warm water. Je laat je handen erin verdwijnen, het voelt weldadig aan. Je zingt een liedje voor jezelf, over fruit en schalen en warm water, het komt zomaar in je op. Je vraagt je af of je met de brandweerman uit zult gaan, en als het ervan komt, zal hij je kussen? Kust een brandweerman ingetogen of gepassioneerd? Zal hij zijn handen onder je T-shirt schuiven, of uitrukken om ergens de spuit op te zetten net als het erop begint te lijken?
Je ligt languit op het oranje tapijt en sluit je ogen. Je voelt je eenzaam en verlaten. Er wordt op je deur geklopt, en eerst vraag je je af of je je dat alleen maar verbeeldt. Maar dan hoor je het weer, en dit keer is het zo hard dat het wel echt moet zijn. Aan deze klop is niets vriendelijks.
Je kijkt door het sleutelgat. Er staat een man in pak. Je vraagt je af of hij gestuurd is om uit te zoeken of jij je baas vermoord hebt. Je doet de deur open.
‘Ik ben gekomen,' zegt hij, ‘voor een fruitschaal.'
‘Wat zegt u?' Hij heeft hele zware wenkbrauwen die zijn gezicht diepte geven. Een oudere man, hij maakt geen erg gelukkige indruk.
‘Ik kom een fruitschaal ophalen. Ik denk dat er vanmorgen een per ongeluk bij u is afgeleverd. Mooi ingepakt? Een groene fruitschaal?'
Je bent verbluft en met stomheid geslagen, de schaal was helemaal niet voor jou bestemd? Je gooit het water eruit en overhandigt hem de fruitschaal. Hij knikt. Hij schudt de laatste waterdruppels op je voordeurmat. De man ziet er heel ontevreden uit, en je denkt dat het aan jou ligt, maar dan dringt het tot je door dat jij het niet kunt zijn, dat hem iets anders dwarszit. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin als om zich te verontschuldigen en vertrekt met de schaal. Je doet de deur achter hem dicht. Je wilt hem terug. Je wilt de schaal terug. Je doet de deur open om hem achterna te roepen, meneer, dat is mijn schaal, hij is bij mij bezorgd met mijn naam op de verpakking, dat is mijn schaal, meneer, ik wil mijn schaal terug. Maar hij is al weg. Je loopt naar buiten om de straat in te kijken, maar hij is verdwenen. Het enige wat je ziet zijn drie kinderen die rondjes fietsen op hun oprijlaan, zeven jaar oud, ze fietsen kleine rondjes op de oprijlaan omdat ze niet op de weg in de buurt van de auto's durven komen.
Terug naar de inhoud