Bewerkte sprookjes - De dochter van het Zuidoosten - Bladerbeer

Ga naar de inhoud

Bewerkte sprookjes - De dochter van het Zuidoosten

Nieuwe tekst
Nono, de zoon van het Noorden, werd verliefd op Zanzi, de dochter van Zuidoostenwind. Op een windstille dag besloot hij dat hij met haar wilde trouwen. Het was broeierig en warm toen hij het aan zijn ouders vertelde. 'Zuidoostenwind is vaak chagrijnig', zei Nono's vader. Ik heb liever niet dat je met zijn dochter omgaat. En wat moet je aantrekken als het regent?'  
Nono zei: 'Heb jij niet iets voor mij om aan te trekken?'
'Nee,’ zei zijn vader, ‘een regenjas heb ik niet voor je.’
De volgende dag vertrok Nono naar het Zuidoosten. Zijn vader gaf hem deze goede raad: 'Als je in de buurt van Zuidoostenwind komt moet je hem van een afstand bekijken. Kijk goed wat er op zijn gezicht te lezen staat. Is zijn gezicht rood, dan moet je niet naar hem toegaan, dan moet je wachten.'
Nono deed wat zijn vader hem gezegd had. Hij kwam bij een grote wolk die omhoog rees uit de oceaan. Dat was het huis waar Zanzi en haar vader woonden. Nono zag van een afstand dat Zuidoostenwind niet kwaad keek, want zijn gezicht was niet rood.
Zanzi zat voor het huis. Nono van het Noorden ging naast haar zitten.
'Wat kom je doen?', vroeg Zanzi van het Zuidoosten.
'Ik ben gekomen om met je te trouwen,' zei Nono.
'Blijf hier wachten', zei Zanzi, 'ik ga het goede nieuws aan mijn moeder vertellen!'
Haar moeder zei tegen Zanzi: 'Vraag je vriend maar om binnen te komen'.
Even later kwamen Nono en Zanzi samen het huis binnen. Zanzi’s ouders hadden niets op Nono aan te merken. Ze waren meteen heel blij met hem.
Nono van het Noorden bleef een tijd wonen in het huis van Zuidoostenwind. Maar op een dag wilde hij met Zanzi naar zijn eigen ouders. Zanzi kreeg van haar vader goede raad mee.
'Dochter', zei hij, 'als je het koud krijgt als je schoonvader tegen je praat, dan moet je me roepen.' Zanzi knikte.
Nono en Zanzi gingen op weg. Toen het Noorden zijn zoon met Zanzi van het Zuidoosten aan zag komen, nam hij ze mee naar binnen.
'Wat eet je vrouw eigenlijk?' vroeg hij aan Nono.
'Ze eet alleen maar slakken!', antwoordde hij.
Nono's vader zei dat ze die zelf konden gaan zoeken, als het eb was.
Het wolkenhuis van het Noorden had een vloer van ijs, maar buiten was het nog niet al te koud. Zanzi liep rond het grote witte huis. Er hingen ijspegels. Ze brak er een af. Het Noorden kreunde. Terwijl ze naar binnen liep, at ze de ijspegel op. Toen ze weer buiten kwam, brak ze nog een ijspegel af. Voor de tweede keer hoorde ze Nono’s vader kreunen in het huis.

‘Zanzi’, zei Nono, 'daar moet je mee ophouden. Het zijn de vingers van mijn vader die je opeet!'
'Dat wist ik niet,’ zei Zanzi. ‘Ik heb honger'.
'Het is eb,’ zei Nono. ‘Laten we op het zand slakken gaan zoeken'.
Toen ze weggingen, hoorden ze vreemde geluiden uit het huis van het Noorden komen. De oude man was woedend op Zanzi van het Zuidoosten, omdat zij zijn vingers had afgebroken. De noordenwind begon te blazen.
‘Kom mee!’ riep Nono.
'Wacht op mij!' riep Zanzi.
Op hetzelfde moment kwam de vloed op, en toen Zanzi tot haar knieën in het water stond, begon het te sneeuwen. Nono  was nergens te bekennen. Zanzi werd ingesloten door het ijs. Ze had het vreselijk koud. Zanzi dacht dat Nono en zijn vader wel naar haar toe zouden komen om haar te helpen. Maar er kwam niemand. Ze zong droevige liedjes. Ze klaagde tegen de wind. Ze rilde aan één stuk door. Haar voeten zaten vastgevroren aan de bodem, ze kon zich niet bewegen. Twee lange dagen stond ze daar. Toen dacht ze aan wat haar vader had gezegd. 'Ik wil naar mijn vader!,’ riep ze. ‘Papa!'
Ze keek om zich heen en luisterde. Ze dacht dat ze een zacht ruisen hoorde, in de verte.
'Het wordt al wat warmer,’ zei ze tegen zichzelf, mijn vader is onderweg.’
'Hoe-hoe-hoei!’ – Zuidoostenwind had Zanzi’s stem herkend. In zijn mooiste jas ging hij op de kust tekeer, terwijl zijn dochter zichzelf moed in zong.
Ze voelde dat het ijs begon te smelten. Het water werd een beetje lauw. De noordenwind werd zwakker, en toen viel hij helemaal stil. Zuidoostenwind had het van hem overgenomen. Het begon te regenen uit donkere wolken. De ijspegels vielen naar beneden, zodat het Noorden weer pijn had. Zuidoostenwind brak ook de vloer van zijn huis open. Zanzi kon zich eindelijk weer bewegen. Maar… door de kou was haar neus veranderd in een rode snavel, en haar benen waren dun en witbevroren.
'Waarom was het Noorden zo boos op jou?' vroeg haar vader.
'Hij kreunde van de pijn toen ik buiten een paar ijspegels afbrak,’ zei Zanzi. ‘Ik wist niet dat het zijn vingers waren. Hij werd ontzettend boos!’
Haar vader schudde zijn hoofd. ‘Hij kan werkelijk woest zijn.’
Zanzi zuchtte. ‘Ik zou heel graag weer naar Nono toegaan,’ zei ze, ‘als ik maar geen scholekster geworden was!'

Dit verhaal is een bewerking van 'De Scholekster', opgenomen in: De dood is de jager. Indiaanse mythen van Noordwest-Amerika van H.C. ten Berge (De Bezige Bij, 1974). De illustraties zijn van Janine Mariën.
Terug naar de inhoud